huisvredebreuk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • huis·vre·de·breuk
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord huisvredebreuk huisvredebreuken
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

huisvredebreuk v/m

  1. (juridisch) zonder toestemming binnendringen of aanwezig zijn in iemands woning
    • De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan huisvredebreuk, door wederrechtelijk in de woning van zijn vader te vertoeven. [2]
  2. (figuurlijk) verstoring van een prettig verblijf
    • (...) de ‘meisjes’ voelen de binnenkomst van de nieuwe conducteur als huisvredebreuk, en als hij autoritair een bon gaat uitschrijven, slaan de stoppen bij hen door (...) [3]
Vertalingen

Meer informatie

Verwijzingen

Gangbaarheid