scheur

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • scheur
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘barst’ voor het eerst aangetroffen in 1265 [1] [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord scheur scheuren
verkleinwoord scheurtje scheurtjes

Zelfstandig naamwoord

scheur v/m

  1. een kloof in een vlies of weefsel
    • Er zat een scheurtje in zijn jas. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
scheuren

scheur

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van scheuren
    • Ik scheur. 
  2. gebiedende wijs van scheuren
    • Scheur! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van scheuren
    • Scheur je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen