scheur

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • scheur
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord scheur scheuren
verkleinwoord scheurtje scheurtjes

Zelfstandig naamwoord

scheur v/m

  1. een kloof in een vlies of weefsel
    Er zat een scheurtje in zijn jas.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
scheuren

scheur

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van scheuren
    Ik scheur.
  2. gebiedende wijs van scheuren
    Scheur!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van scheuren
    Scheur je?

Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl