lachen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Lachen
Uitspraak
Woordafbreking
  • la·chen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
lachen
lachte
gelachen
zwak -t


gemengd

volledig

Werkwoord

lachen

  1. zichtbaar en/of hoorbaar blij zijn met iets of iets grappig vinden
    • Hij lachte hartelijk om de kostelijke grap. 
  2. inergatief (dierengeluid) het geluid van een hyena voortbrengen
Vaste voorzetsels
  • lachen met
  • lachen om
Synoniemen
  • dubbel liggen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie als meervoudsvorm.

Zelfstandig naamwoord

lachen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord lach

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Middelnederlands

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden tijd voltooid
deelwoord
enkelvoud meervoud
lachen loech, loegh loechen, loeghen ghelachen
klasse 7 volledig  

Werkwoord

lachen

  1. lachen
    «d'Eerste-mael heb ick ghelachen, Om dat ghy-lieden de Doodt vreest.»
    De eerste maal heb ik gelachen, omdat jullie de dood vrezen.[1]
(~1616)
Hy maeckt’ een aerdigh dier/ hy ded’ een dier voortcommen/
Een dier een lieflijck dier/ dat wij een Meijsken nommen.
Maer als hijt hadt volmackt: hij sach zijn maecksel aen/
Hy sach het loech hem toe/ hy sach het voor hem staen/[2]

Verwijzingen

  1. A. Duircants, Doodt-vvoelende hyena, medebrengende 1. Doodt-schrick, 2. Doodt-troost, 3 ..., 1634, p. 24
  2. Theocritus à Ganda 1616. Aen de Joncvrouwen van Hollandt



Duits

stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
lachen
lachte
(hat) gelacht
zwak volledig

Werkwoord

lachen

  1. lachen
    «Man kann damit lachen
    Men kan erom lachen.