lachen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Lachen
Uitspraak
Woordafbreking
  • la·chen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
lachen
lachte
gelachen
zwak -t


gemengd

volledig

Werkwoord

lachen

  1. zichtbaar en/of hoorbaar blij zijn met iets of iets grappig vinden
    • Hij lachte hartelijk om de kostelijke grap. 
  2. inergatief (dierengeluid) het geluid van een hyena voortbrengen
Vaste voorzetsels
  • lachen met
  • lachen om
Synoniemen
  • dubbel liggen
(~1616)
Hy maeckt’ een aerdigh dier/ hy ded’ een dier voortcommen/
Een dier een lieflijck dier/ dat wij een Meijsken nommen.
Maer als hijt hadt volmackt: hij sach zijn maecksel aen/
Hy sach het loech hem toe/ hy sach het voor hem staen/[3]
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie als meervoudsvorm.

Zelfstandig naamwoord

lachen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord lach

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl
  2. LACHEN (VROLIJKHEID UITEN), etymologiebank.nl
  3. Theocritus à Ganda 1616. Aen de Joncvrouwen van Hollandt


Middelnederlands

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden tijd voltooid
deelwoord
enkelvoud meervoud
lachen loech, loegh loechen, loeghen ghelachen
klasse 7 volledig  

Werkwoord

lachen

  1. lachen
    «d'Eerste-mael heb ick ghelachen, Om dat ghy-lieden de Doodt vreest.»
    De eerste maal heb ik gelachen, omdat jullie de dood vrezen.[1]

Verwijzingen



Duits

stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
lachen
lachte
(hat) gelacht
zwak volledig

Werkwoord

lachen

  1. lachen
    «Man kann damit lachen
    Men kan erom lachen.