echtbreuk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • echt·breuk
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord echtbreuk echtbreuken
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

echtbreuk v/m

  1. het verbreken van een huwelijksband
    • De Tien Geboden verbieden echtbreuk. 

Gangbaarheid

94 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.

Meer informatie