betrekken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·trek·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
betrekken
betrok
betrokken
klasse 3 volledig

Werkwoord

betrekken

  1. (overgankelijk) zich in een woning installeren
    Zij betrokken een huis in de Warmoesstraat.
  2. (overgankelijk) (artikelen) kopen, verkrijgen, verwerven
    Zij betrokken hun fruit van de markt.
  3. (overgankelijk) ~ op: in verband of relatie brengen met
    De aanwezigheid van de Amerikanen in Irak wordt vaak betrokken op de grote olievoorraden van dat land.
  4. (overgankelijk) ~ bij: deel laten hebben aan een activiteit
    Hij betrok zelfs zijn ouders bij zijn criminele activiteiten.
  5. (ergatief) (meteorologie) bewolkt raken
    We hadden lekker buiten in het zonnetje gezeten, maar geleidelijk was de lucht betrokken en werd het killer.
  6. (ergatief) (van een gezicht e.d.) somber worden
Verwante begrippen
Werkwoorden voor weersgesteldheden in het Nederlands

betrekkenbliksemendauwendonderendooiengietenhagelenijzelenmiezerenmistenmotregenennevelen
onwerenopklarenplenzenplensregenenregenensneeuwenstormenvriezenwaaienweerlichten

Vertalingen