waaien

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • waai·en
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
waaien
waaide
woei
gewaaid
klasse 6

zwak -d

volledig

Werkwoord

waaien

  1. onpersoonlijk (meteorologie) het plaatsvinden van een sterke luchtstroming ten gevolge van drukverschillen in de atmosfeer
    • Het waait veel te hard om te gaan fietsen. 
  2. absoluut (meteorologie) een sterke luchtstroming veroorzaken
    • De storm waaide twee dagen lang. 
     Er woei een ijskoude wind en Sint trok zijn warme rode mantel dicht om zich heen.[3]
  3. overgankelijk door een sterke luchtstroming verplaatsen
    • De aanhoudende westenwind woei alle bladeren tegen de heg. 
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Werkwoorden voor weersgesteldheden in het Nederlands

betrekkenbliksemendauwendonderendooiengietenhagelenijzelenmiezerenmistenmotregenennevelen
onwerenopklarenplenzenplensregenenregenensneeuwenstormenstortregenenvriezenwaaienweerlichten

Uitdrukkingen en gezegden
  • De wind waait uit een andere ( of een verkeerde) hoek
  • Met alle winden waaien
door alles en iedereen laten beïnvloeden
  • Zoals de wind waait, waait zijn jasje
hij gaat met de heersende mening mee of verandert telkens van mening afhankelijk van de mensen om zich heen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, door Johannes Franck, M. Nijhoff 1892
  2. "waaien" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  3. Marijke van Raephorst op Wikipedia “Het hele jaar rond: van Sinterklaas tot Sintemaarten” (1973), Lemniscaat op Wikipedia, p. 12