ijzelen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ij·ze·len
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van ijzel met het achtervoegsel -en
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
ijzelen
ijzelde
geijzeld
zwak -d volledig

Werkwoord

ijzelen

  1. onpersoonlijk (meteorologie) het vallen van onderkoelde regen die eenmaal in aanraking met de grond bevriest
    • Het ijzelde zo erg dat vele bomen onder het wicht van het ijs bezweken. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.