envolver
Uiterlijk
- en·vol·ver
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| infinitief | verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| envolver |
envolvía |
envuelto |
| volledig | ||
envolver
- inpakken, inwikkelen, omhullen, hullen, omwikkelen
- inbakeren
- oprollen
- vastzetten
- insluiten, omsingelen
- verwikkelen, betrekken (bij)
- inpalmen, inpakken
- envolver in: Diccionario de la lengua española, 23e druk, op website: Real academia española