donderen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • don·de·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
donderen
/ˈdɔndərə(n)/
donderde
/ˈdɔndərdə/
gedonderd
/ɣəˈdɔndərt/
zwak -d volledig

Werkwoord

donderen

  1. (onpersoonlijk), (meteorologie) het weerklinken van luid gerommel ten gevolge van bliksemontlading
    • Het donderde in de verte. 
  2. inergatief op luide en barse toon een bevel geven of zijn ongenoegen uiten
    • "Koppen dicht!" donderde hij. 
  3. ergatief (informeel) (met veel lawaai) ergens af-/uitvallen
    • Ze struikelde en donderde met veel gedruis de trap af. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen