stormen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • stor·men
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘hard waaien’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240 [1]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
stormen
stormde
gestormd
zwak -d volledig

Werkwoord

stormen

  1. onpersoonlijk (meteorologie) bijzonder sterk waaien
    • Het stormde geweldig die nacht en er verging een aantal schepen. 
  2. ergatief bijzonder snel bewegen
    • De bel ging en de kinderen stormden naar buiten. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Werkwoorden voor weersgesteldheden in het Nederlands

betrekkenbliksemendauwendonderendooiengietenhagelenijzelenmiezerenmistenmotregenennevelen
onwerenopklarenplenzenplensregenenregenensneeuwenstormenstortregenenvriezenwaaienweerlichten

Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

stormen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord storm

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen


Noors

Woordafbreking
  • stor·men
Naar frequentie 3463

Zelfstandig naamwoord

stormen, m

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van storm


Nynorsk

Woordafbreking
  • stor·men

Zelfstandig naamwoord

stormen, m

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van storm