agent

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • agent
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord agent agenten
verkleinwoord agentje agentjes

Zelfstandig naamwoord

agent m

  1. (beroep) een persoon die belast is met de handhaving van de openbare orde en veiligheid
    De agent deelde een bekeuring uit aan de wildplassers.
  2. (beroep) een vertegenwoordiger van een bedrijf
    Hij ging naar de agent die zijn bankzaken regelde.
Synoniemen
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
Gangbaarheid
100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl


Tsjechisch

Uitspraak
  • IPA: /agɛnt/

Zelfstandig naamwoord

agent m bezield

  1. vertegenwoordiger
  2. spion
Verbuiging


Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Verwijzingen