afzondering

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·zon·de·ring
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord afzondering afzonderingen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

afzondering v

  • het afzonderen; het vrijwillig of (nood-)gedwongen verbreken, of verstoken zijn van contacten/verbindingen zoals bij:
  1. (geologie) een bestaan in een geïsoleerd leefgebied
    • Er zijn in Zuid-Amerika nog altijd stammen die in grote afzondering leven. 
  2. (veeteelt) het uit elkaar houden van dieren
    • De afzondering werd niet goed gehandhaafd waardoor de twee dieren snel weer met elkaar konden vechten. 
  3. (psychologie), (juridisch), (medisch)een gedwongen verblijf in eenzaamheid vanwege gedragsproblemen, besmettingsgevaar enz.
    • Hij moest vanwege zijn gedragsstoornis jarenlang in afzondering leven. 
  4. (sociologie)het beperkt raken van contact door lichamelijke of geestelijke gebreken, voorspoed of financiële tegenslag, familieomstandigheden enz.
    • Zij leeft in afzondering nu de familie niets meer met haar te maken wil hebben. 
Synoniemen
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie