afzondering

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·zon·de·ring
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord afzondering afzonderingen
verkleinwoord afzonderingetje afzonderingetjes

Zelfstandig naamwoord

afzondering v

  • het afzonderen; het vrijwillig of (nood-)gedwongen verbreken, of verstoken zijn van contacten/verbindingen zoals bij:
  1. (geologie) een bestaan in een geïsoleerd leefgebied
    Er zijn in Zuid-Amerika nog altijd stammen die in grote afzondering leven.
  2. (veeteelt) het uit elkaar houden van dieren
    De afzondering werd niet goed gehandhaafd waardoor de twee dieren snel weer met elkaar konden vechten.
  3. (psychologie)(juridisch)(medisch)een gedwongen verblijf in eenzaamheid vanwege gedragsproblemen, besmettingsgevaar enz.
    Hij moest vanwege zijn gedragsstoornis jarenlang in afzondering leven.
  4. (sociologie)het beperkt raken van contact door lichamelijke of geestelijke gebreken, voorspoed of financiële tegenslag, familieomstandigheden enz.
    Zij leeft in afzondering nu de familie niets meer met haar te maken wil hebben.
Synoniemen
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen