boycot

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • boy·cot
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘uitsluiting van maatschappelijk verkeer’ voor het eerst aangetroffen in 1910 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord boycot boycots
boycotten
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

boycot m

  1. uitsluiting van het sociaal verkeer
  2. (handel) (economie) uitsluiting van het handelsverkeer
Hyponiemen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
boycotten

boycot

  1. enkelvoud tegenwoordige tijd van boycotten
  2. gebiedende wijs van boycotten


Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen