verbinding

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·bin·ding
Woordherkomst en -opbouw
  • Naamwoord van handeling van verbinden met het achtervoegsel -ing.
enkelvoud meervoud
naamwoord verbinding verbindingen
verkleinwoord verbindinkje verbindinkjes

Zelfstandig naamwoord

verbinding v

  1. iets verbinden of samenvoegen; iets dat twee of meer afzonderlijke delen verbindt
  2. (scheikunde) een chemische stof die bestaat uit twee of meer scheikundig elementen, het gaat hierbij om een stof met andere eigenschappen dan de elementen waar het uit is samengesteld
  3. (communicatie) een mogelijkheid een bepaalde plek te bereiken
    • Hij hing de telefoon op toen de verbinding verbroken werd. 
     Zwart was hij door het roet van de hel. En natuurlijk moest hij zich door de schoorsteen ( de oudste offerplaats èn de verbinding van de geestenwereld met die der mensen ) laten zakken, om de cadeautjes bij de kinderschoenen te leggen.[1]
  4. (verkeer) aansluiting op een ander vervoermiddel of lijn
    • Die buslijn is maar een slechte verbinding. 
Synoniemen
  1. [1] connectie
  2. [2] stof, product, composietmateriaal
  3. [3] connectie
  4. [4] aansluiting, lijn
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Marijke van Raephorst op Wikipedia “Het hele jaar rond: van Sinterklaas tot Sintemaarten” (1973), Lemniscaat op Wikipedia, p. 14


Afrikaans

enkelvoud meervoud
naamwoord verbinding verbindings

Zelfstandig naamwoord

verbinding

  1. verbinding