verbinding

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·bin·ding
Woordherkomst en -opbouw
  • Naamwoord van handeling van verbinden met het achtervoegsel -ing.
enkelvoud meervoud
naamwoord verbinding verbindingen
verkleinwoord verbindinkje verbindinkjes

Zelfstandig naamwoord

verbinding v

  1. iets verbinden of samenvoegen; iets dat twee of meer afzonderlijke delen verbindt
  2. (scheikunde) een chemische stof die bestaat uit twee of meer scheikundig elementen, het gaat hierbij om een stof met andere eigenschappen dan de elementen waar het uit is samengesteld
  3. (communicatie) een mogelijkheid een bepaalde plek te bereiken
    Hij hing de telefoon op toen de verbinding verbroken werd.
  4. (verkeer) aansluiting op een ander vervoermiddel of lijn
    Die buslijn is maar een slechte verbinding.
Synoniemen
  1. [1] connectie
  2. [2] stof, product, composietmateriaal
  3. [3] connectie
  4. [4] aansluiting, lijn
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie


Afrikaans

enkelvoud meervoud
naamwoord verbinding verbindings

Zelfstandig naamwoord

verbinding

  1. verbinding