afzonderen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·zon·de·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afzonderen
zonderde af
afgezonderd
zwak -d volledig

Werkwoord

afzonderen

  1. (wederkerend) zich ~ zichzelf uit de groep halen
    De man wilde zich graag afzonderen toen hij met die groep wildebrassen op stap ging.
  2. (overgankelijk) afscheiden
Synoniemen
Verwijzingen
  1. Woordenboek der Nederlandse taal
Vertalingen