isolement

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • iso·le·ment
enkelvoud meervoud
naamwoord isolement isolementen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

isolement o

  1. afgeschermdheid, zonder contact met anderen of met iets anders
    • Hij leefde in een groot isolement omdat hij de taal van de mensen niet kende. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.