afval

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·val
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord afval -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

afval o

  1. onbruikbare resten die weggegooid worden
    • Morgen komen ze het afval ophalen. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
afvallen

afval

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van afvallen
    • ... dat ik afval. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie


Afrikaans

Zelfstandig naamwoord

afval; slachtafval, orgaanvlees