afval

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·val
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord afval -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

afval o

  1. onbruikbare resten die weggegooid worden
    Morgen komen ze het afval ophalen.
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
afvallen

afval

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van afvallen
    ... dat ik afval.


Afrikaans

Zelfstandig naamwoord

afval; slachtafval, orgaanvlees