afvallen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·val·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afvallen
/'ɑfɑlə(n)/
viel af
/vil'ʔɑf/
afgevallen
/'afxəvɑlə(n)/
klasse 7 volledig

Werkwoord

afvallen

  1. ergatief gewicht verliezen
    • De dikke man wilde in korte tijd veel afvallen. 
  2. ergatief de koers van een schip in de richting van de lijzijde wijzigen
    • We gingen veel te scherp aan de wind, dus gaf de schipper bevel tot afvallen. 
  3. ergatief ontrouw worden aan zijn geloof
    • Nadat zijn vrouw was overleden, ondanks alle gebeden die hij gebeden had, is hij van zijn geloof afgevallen. 
  4. ergatief vallen vanaf een hoger gelegen plek
    • Hij was bang dan zijn kinderen van het muurtje af zouden vallen het diepe ravijn in. 
  5. ergatief niet meer meetellen, niet meer kunnen meedoen
    • Vijf van de zes studenten zullen afvallen, want het is nu eenmaal een heel zware studie. 
  6. elkaar steunen
    • Vader en moeder zullen elkaar nooit afvallen in tegenwoordigheid van vreemden. 
Synoniemen
Antoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie