vuil

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vuil
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘vies’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1200 [1]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen vuil vuiler vuilst
verbogen vuile vuilere vuilste
partitief vuils vuilers -

Bijvoeglijk naamwoord

vuil

  1. niet schoon, bevuild
Antoniemen
Vertalingen
enkelvoud meervoud
naamwoord vuil -
verkleinwoord vuiltje vuiltjes

Zelfstandig naamwoord

vuil o

  1. viezigheid, onreine materie
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen