puin

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • puin
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het ?, in de betekenis van ‘vergruisde steen’ voor het eerst aangetroffen in 1443 [1] [2] [3]
enkelvoud meervoud
naamwoord puin -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

puin o

  1. een massa vergruizelde steen
    • Gisteren moesten die herrieschoppers het puin voor straf opruimen. 
  2. fijne brokjes diamant met lage waarde
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Bijwoord

puin

  1. bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord een onredderde toestand

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen