Naar inhoud springen

puin

Uit WikiWoordenboek
  • puin
  • Leenwoord uit het ?, in de betekenis van ‘vergruisde steen’ voor het eerst aangetroffen in 1443 [1] [2] [3]
enkelvoud meervoud
naamwoord puin -
verkleinwoord - -

hetpuino

  1. een massa vergruizelde steen
     Misschien was ze voorbestemd geweest voor een deftig leven op het platteland, als vrouw van een hoge ambtenaar of zo, maar had ze ervoor gekozen om een ander soort geluk te zoeken in het puin van het naoorlogse Londen.[4]
     Onder het puin lagen honderdduizenden slachtoffers, de elektriciteit was uitgevallen, en hulpverlening kwam pas na weken goed op gang.[5]
    • Gisteren moesten die herrieschoppers het puin voor straf opruimen. 
  2. fijne brokjes diamant met lage waarde

puin

  1. bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord een onredderde toestand
98 %van de Nederlanders;
98 %van de Vlamingen.[6]