Naar inhoud springen

rommel

Uit WikiWoordenboek
  • rom·mel
  • In de betekenis van ‘bende’ voor het eerst aangetroffen in 1866 [1] [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord rommel -
verkleinwoord rommeltje rommeltjes

derommelm

  1. vele waardeloze spullen door elkaar
     Quick stond onhandig op en bleef wankelend tussen de rommel staan.[3]
    • Gooi die rommel toch eens weg! 
     Ik slik mijn laatste hap door, drink nog wat water, ruim mijn rommel op, kom omhoog en hang mijn rugzak om.[4]
vervoeging van
rommelen

rommel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van rommelen
    • Ik rommel. 
  2. gebiedende wijs van rommelen
    • Rommel! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van rommelen
    • Rommel je? 
     Ik open mijn rugzak, rommel tussen mijn spullen en zoek de envelop, maar vind 'm niet.[4]
100 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[5]