rommel

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rom·mel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord rommel -
verkleinwoord rommeltje rommeltjes

Zelfstandig naamwoord

rommel m

  1. vele waardeloze spullen door elkaar
    • Gooi die rommel toch eens weg! 
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

Werkwoord

vervoeging van
rommelen

rommel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van rommelen
    • Ik rommel. 
  2. gebiedende wijs van rommelen
    • Rommel! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van rommelen
    • Rommel je?