veegsel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • veeg·sel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord veegsel veegsels
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

veegsel o [1]

  1. wat men bij vegen verzamelt en weggooit
    • Deze wat klassenstrijderige metafoor illustreert hoe Kamerleden echt over de ambtenaren denken. Veegsel waarvan de trap moet worden schoongeveegd. Minister C.P. van Dijk, (Binnenlandse Zaken) zei destijds hetzelfde. Zonder protest van de Kamer. Van hun werkgever moeten de hogere ambtenaren het dus niet hebben. [2] 
    • Wij verdwijnen in de mistige verte
      Als veegsel van potloodslijpsel. [3]
       
  2. wat door uitwrijven ontstaat
    • Ook mis, maar om een andere reden, is de iao-zegel (50 jaar internationale arbeidsorganisatie) (1969) van Jurriaan Schrofer. Ongelooflijk, wat een prachtig ontwerp. En op groot formaat zie je het titanenwerk: duizenden wrijflettertjes minutieus strak uitgelijnd in verschillende diktes (alleen de ‘E’ is er al in tien variaties) vormen tezamen een tweede laag: de letters iao. Groot overheersen de losse letters waar alles uit opgebouwd is, maar verkleind zie je alleen nog ‘iao’ en is de achtergrond een vaag veegsel geworden. Zo mislukte zijn grap geheel. Ik zou zeggen: ga posters maken, veel beter. [4] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

89 % van de Nederlanders;
83 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC J. Verhoeve 22 januari 1993 Hogere ambtenaar moet het niet hebben van zijn werkgever
  3. NRC Jan Wolkers 14 februari 2003 Snijdende kou
  4. NRC Viola Lindner 9 november 2006 Echte kunst op 3,75 cm ²