zwak
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- zwak
Woordherkomst en -opbouw
|
|
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | zwak | zwakker | zwakst |
| verbogen | zwakke | zwakkere | zwakste |
Bijvoeglijk naamwoord
zwak
- tekortkomend in kracht of vaardigheid
- taalk. (Germaanse werkwoorden) een verleden tijd vormend met een dentaal achtervoegsel
- Reizen-reisde-gereisd is een zwak werkwoord, rijzen-rees-gerezen een sterk.
- taalk. (Germaanse naamwoorden) een stelsel buigingsuitgangen vertonend die op -n gebaseerd zijn
- Des hertogen is een zwakke genitief, des konings een sterke.
Antoniemen
Vertalingen
1.
Woordafbreking
- zwak
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | zwak | |
| verkleinwoord |
Zelfstandig naamwoord
zwak o
- een zwakke plek, neiging tot
- Hij heeft een zwak voor snelle auto's.