wekelijks
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- Geluid: wekelijks (hulp, bestand)
- IPA:
- (Noord-Nederland): /ˈʋe.kə.ləks/
- (Vlaanderen, Brabant): /ˈβ̞e.kə.ləks/
- (Limburg): /ˈwe.kə.lɪks/
Woordafbreking
- we·ke·lijks
| stellend | |
|---|---|
| onverbogen | wekelijks |
| verbogen | wekelijkse |
Bijvoeglijk naamwoord
wekelijks
- een maal per week, elke week terugkerend
- Dit is de wekelijkse markt.
Vertalingen
Bijwoord
wekelijks
- een maal per week, elke week
- De kaasboer komt hier wekelijks langs.