weken
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- IPA:
- (Noord-Nederland): /ˈʋe.kə(n)/
- (Vlaanderen, Brabant): /ˈβ̞e.kə(n)/
- (Limburg): /ˈwe.kə(n)/
Woordafbreking
- we·ken
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| weken /ˈʋekə(n)/ |
weekte /ˈʋektə/ |
geweekt /ɣəˈʋekt/ |
| zwak -t | volledig | |
Werkwoord
weken
- (overgankelijk) door langdurig in een vloeistof te leggen zacht, plooibaar of beter wasbaar maken
- Je kunt dat het beste eerst een tijdje weken.
- (ergatief) door langdurig in een vloeistof te liggen zacht, plooibaar of beter wasbaar worden
- Dat vuile ondergoed heeft lang genoeg liggen weken.
| vervoeging van |
|---|
| wijken |
weken
- meervoud verleden tijd van wijken
- Wij weken.
- Jullie weken.
- Zij weken.
- Wij weken.
Zelfstandig naamwoord
weken mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord week