weken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • we·ken
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
weken
/ˈʋekə(n)/
weekte
/ˈʋektə/
geweekt
/ɣəˈʋekt/
zwak -t volledig

Werkwoord

weken

  1. (overgankelijk) door langdurig in een vloeistof te leggen zacht, plooibaar of beter wasbaar maken
    Je kunt dat het beste eerst een tijdje weken.
  2. (ergatief) door langdurig in een vloeistof te liggen zacht, plooibaar of beter wasbaar worden
    Dat vuile ondergoed heeft lang genoeg liggen weken.

Werkwoord

vervoeging van
wijken

weken

  1. meervoud verleden tijd van wijken
    Wij weken.
    Jullie weken.
    Zij weken.

Zelfstandig naamwoord

weken mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord week
Vertalingen