tender

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ten·der
enkelvoud meervoud
naamwoord tender tenders
verkleinwoord tendertje tendertjes

Zelfstandig naamwoord

tender

  1. wagen achter een locomotief, om kolen en water te transporteren
Vertalingen

Meer informatie


Engels

Uitspraak
enkelvoud meervoud
tender tenders
Woordherkomst en -opbouw
  • (Bijvoeglijk naamwoord) afkomstig van het Latijnse woord tener.
  • (Zelfstandig naamwoord en werkwoord) afkomstig van het Latijnse woord tendere.

Zelfstandig naamwoord

tender

  1. aanbieding, aanbod, bod
  2. (juridisch) aanbesteding, gunning
  3. begroting, kostenraming
Naar frequentie 4687 (bijvoeglijk naamwoord)


stellend vergrotend overtreffend
tender tenderer tenderest

Bijvoeglijk naamwoord

tender

  1. gaar, mals, zacht
    «Add the macaroni and cook until tender
    Voeg de macaroni toe en kook ze gaar.
  2. zoet
  3. gevoelig
  4. liefhebbend
Afgeleide begrippen
vervoeging
onbepaalde wijs to tender
he/she/it tenders
verleden tijd tendered
voltooid
deelwoord
tendered
onvoltooid
deelwoord
tendering
gebiedende wijs tender

Werkwoord

tender

  1. (overgankelijk) aanbieden, indienen


Spaans

Uitspraak
Woordafbreking
  • ten·der

Werkwoord

tender

stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
tender
tendía
tendido
volledig
  1. (onovergankelijk) (~ a) neigen naar/tot
  2. zich richten naar, toegaan naar
  3. (overgankelijk) strekken, uitstrekken, uitspreiden
  4. ophangen, uithangen (van wasgoed)
Synoniemen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen