waar
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- waar
Woordherkomst en -opbouw
|
|
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| waren |
waar
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van waren
- Ik waar.
- gebiedende wijs van waren
- Waar!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van waren
- Waar je?
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | waar | waren |
| verkleinwoord |
Zelfstandig naamwoord
- koopwaar, te verhandelen goederen
Synoniemen
Afgeleide begrippen
- deegwaar, etenswaar, handelswaar, koopwaar, smokkelwaar, vleeswaar, voedingswaar, warenhuis, warenmarkt, zoetwaar
Spreekwoorden
- Veel waar voor weinig geld
Vertalingen
1. koopwaar, te verhandelen goederen
| stellend | |
|---|---|
| onverbogen | waar |
| verbogen | ware |
Bijvoeglijk naamwoord
waar
- correct, niet onwaar, overeenkomend met de werkelijkheid
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Antoniemen
Vertalingen
1. correct
Afgeleide begrippen
Bijwoord
waar
- Vragend: op welke plaats?
- Waar woont hij?
- Betrekkelijk op welke plaats
- Dit is het huis waar hij tien jaar gewoond heeft.
- als locatief deel van een voornaamwoordelijk bijwoord vervangt een vragend voornaamwoord wat,welk
- waarvoor => waar doet zij het voor?
- als locatief deel van een voornaamwoordelijk bijwoord vervangt een betrekkelijk voornaamwoord wat, dewelke
- bijv. waarachter => Ik opende de deur waar hij achter verborgen zat.
- bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord
- waarmaken: Hij was niet in staat dat waar te maken.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen
1. op welke plaats
Voegwoord
waar
- geeft een gelijktijdigheid en gedeeltelijke tegenspraak aan
- Waar Nederland zich zorgen maakt over Sint-Maarten, rekent het eiland op zijn nieuwe status.