echt

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
enkelvoud meervoud
naamwoord echt
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

echt m

  1. de huwelijkse staat
    In de echt verbonden.
Woordafbreking
  • echt
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen echt echter echtst
verbogen echte echtere echtste
partitief echts echters -

Bijvoeglijk naamwoord

echt

  1. waarachtig, juist, niet vervalst
    Dit zijn echte parels.
Synoniemen
Vertalingen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
echten

echt

  1. enkelvoud tegenwoordige tijd van echten
  2. gebiedende wijs van echten