true

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Engels

Uitspraak
Woordafbreking
  • true
Naar frequentie 582 (bivoeglijk naamwoord)
stellend vergrotend overtreffend
true truer truest

Bijvoeglijk naamwoord

true

  1. echt
  2. trouw
  3. waar
  4. zuiver
Synoniemen
Antoniemen
Afgeleide begrippen

Bijwoord

true

  1. waar
vervoeging
onbepaalde wijs to true
he/she/it trues
verleden tijd trued
voltooid
deelwoord
trued
onvoltooid
deelwoord
trueing
truing
gebiedende wijs true

Werkwoord

true

  1. richten


enkelvoud meervoud
true -

Zelfstandig naamwoord

true

  1. waarheid
Synoniemen


Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • true
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Oudnoorse werkwoord þrúga.
Naar frequentie 4899
vervoeging
onbepaalde wijs true
tegenwoordige tijd truer
verleden tijd truet
trua
voltooid
deelwoord
truet
trua
onvoltooid
deelwoord
truende
lijdende vorm trues
gebiedende wijs tru
vervoegingsklasse Klasse 1 zwak
opmerking

Werkwoord

true

  1. (overgankelijk) dreigen
    «Arbeiderne truet med streik.»
    De werknemers dreigden met een staking.
  2. (overgankelijk) bedreigen, intimideren
    «Avtalen truer norske interesser.»
    Het akkoord bedreigt de Noorse belangen.
Verwante begrippen


Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
  • true
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Oudnoorse werkwoord þrúga.
vervoeging
onbepaalde wijs true
trua
tegenwoordige tijd truar
verleden tijd trua
voltooid
deelwoord
trua
onvoltooid
deelwoord
truande
lijdende vorm truast
gebiedende wijs tru
trua
true
vervoegingsklasse Klasse 1 zwak
opmerking

Werkwoord

true

  1. (overgankelijk) dreigen
  2. (overgankelijk) bedreigen, intimideren
Schrijfwijzen
Verwante begrippen