ware

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • wa·re

Bijvoeglijk naamwoord

ware

  1. verbogen vorm van de stellende trap van waar
    Die insecten zijn een ware plaag.

Werkwoord

vervoeging van
zijn

ware

  1. aanvoegende wijs verleden tijd van zijn
    De auto auto zweeft als het ware over de weg.
    Hij werd onthaald als ware hij de koning in eigen persoon.

Werkwoord

vervoeging van
waren

ware

  1. aanvoegende wijs van waren


Afrikaans

Bijvoeglijk naamwoord

ware

  1. attributieve vorm van waar


Engels

enkelvoud meervoud
ware wares

Zelfstandig naamwoord

ware

  1. waar, goed