waren
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- wa·ren
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| waren |
waarde |
gewaard |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
waren
- (ergatief) doelloos en rusteloos ronddwalen
- Nog lang waarden de bendes plunderend door het hulpeloze land.
Vertalingen
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| zijn |
waren
- meervoud verleden tijd van zijn
- Wij waren.
- Jullie waren.
- Zij waren.
- Wij waren.
| vervoeging van |
|---|
| wezen |
waren
- meervoud verleden tijd van wezen
- Wij waren.
- Jullie waren.
- Zij waren.
- Wij waren.
Zelfstandig naamwoord
waren mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord waar