was
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Zelfstandig naamwoord
was m
- weke laagsmeltende en waterafstotende stof zoals deze door bijen afgescheiden wordt om hun raten mee te bouwen
- naamwoord van handeling: het wassen, het schoonmaken met een vloeistof
- de was en de strijk zijn een steeds weerkerende klus
- het wasgoed:
- ik moet de was nog te drogen hangen
- (aan)groei, stijging (vooral van water)
- de was van een rivier is moeilijk te stuiten
Vertalingen
Werkwoord
was
- verleden tijd enkelvoud van zijn
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd en gebiedende wijs van wassen, schoonmaken
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd en gebiedende wijs van wassen, in de was zetten
Engels
Werkwoord
was
- eerste en derde persoon verleden tijd van to be
- I was wrong, but so was she.
- «Ik had ongelijk, maar zij had dat ook.»
- I was wrong, but so was she.

