was
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- IPA : /ʋɑs/
Woordafbreking
- was
Zelfstandig naamwoord
was m
- weke laagsmeltende en waterafstotende stof zoals deze door bijen afgescheiden wordt om hun raten mee te bouwen
- naamwoord van handeling: het wassen, het schoonmaken met een vloeistof
- De was en de strijk zijn een steeds weerkerende klus.
- het wasgoed:
- Ik moet de was nog te drogen hangen.
- (aan)groei, stijging (vooral van water)
- De was van een rivier is moeilijk te stuiten.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| wassen |
was
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wassen
- Ik was.
- gebiedende wijs van wassen
- Was!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wassen
- Was je?
| vervoeging van |
|---|
| zijn |
was
- enkelvoud verleden tijd van zijn
- Ik was.
- Jij was.
- Hij, zij, het was.
- Ik was.
- vormt de gebiedende wijs van de voltooid verleden tijd van ergatieve werkwoorden
- Was toch naar huis gegaan!
Duits
Uitspraak
- IPA: /vas/
Vragend voornaamwoord
was
- wat
- «Was ist das?»
- Wat is dat?
- «Was ist das?»
Engels
Uitspraak
- IPA: /wɒz/
Werkwoord
was
- eerste en derde persoon verleden tijd van to be
- «I was wrong, but so was she.»
- Ik had ongelijk, maar zij had dat ook.
- «I was wrong, but so was she.»