vrucht
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- vrucht
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | vrucht | vruchten |
| verkleinwoord | vruchtje | vruchtjes |
Zelfstandig naamwoord
vrucht v
- volgroeid vruchtbeginsel van een boom of plant
- De vruchten van die bomen worden op regelmatige tijdstippen geplukt.
- ongeboren jong van een dier of mens
- De vrouw ziet er niet zwanger uit, maar de vrucht is er wel degelijk.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
- kweepeervruchtvlees, vruchtafdrijving, vruchtbaar, vruchtbeginsel, vruchtbodem, vruchtboom, vruchtvlees, vruchtwater, vruchtwaterpunctie, vruchtwisseling
Verwante begrippen
Spreekwoorden
- aan de vruchten (her)kent men de boom
- hoe iemand is kan men zien aan hoe hij zich gedraagt
- ook de beste boom geeft slechte vruchten
- ook de beste ouders kunnen kinderen hebben die het slechte pad opgaan
- op dezelfde stam groeien verschillende vruchten
- kinderen met dezelfde ouders kunnen toch veel van elkaar verschillen
- verboden vruchten zijn de zoetste
- verboden dingen zijn vaak het aantrekkelijkst
Uitdrukkingen en gezegden
- ergens de vruchten van plukken
- uit iets waar men een tijdlang aan gewerkt heeft zijn voordeel halen
- van de verboden vrucht eten
- iets doen dat niet mag
- zijn vruchten afwerpen
- succesvol zijn
Vertalingen
1. volgroeid vruchtbeginsel
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.