vrucht

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vrucht
enkelvoud meervoud
naamwoord vrucht vruchten
verkleinwoord vruchtje vruchtjes

Zelfstandig naamwoord

vrucht v

  1. volgroeid vruchtbeginsel van een boom of plant
    De vruchten van die bomen worden op regelmatige tijdstippen geplukt.
  2. ongeboren jong van een dier of mens
    De vrouw ziet er niet zwanger uit, maar de vrucht is er wel degelijk.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Spreekwoorden
  • aan de vruchten (her)kent men de boom
    • hoe iemand is kan men zien aan hoe hij zich gedraagt
  • ook de beste boom geeft slechte vruchten
    • ook de beste ouders kunnen kinderen hebben die het slechte pad opgaan
  • op dezelfde stam groeien verschillende vruchten
    • kinderen met dezelfde ouders kunnen toch veel van elkaar verschillen
  • verboden vruchten zijn de zoetste
    • verboden dingen zijn vaak het aantrekkelijkst
Uitdrukkingen en gezegden
  • ergens de vruchten van plukken
    • uit iets waar men een tijdlang aan gewerkt heeft zijn voordeel halen
  • van de verboden vrucht eten
    • iets doen dat niet mag
  • zijn vruchten afwerpen
    • succesvol zijn
Vertalingen

Meer informatie