winter
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- win·ter
Woordherkomst en -opbouw
- De herkomst is onzeker. Het woord wordt wel in verband gebracht met iers find (wit), het witte jaargetijde dus.
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | winter | winters |
| verkleinwoord | wintertje | wintertjes |
Zelfstandig naamwoord
winter m
- het vierde van de vier seizoenen: op het noordelijk halfrond van 21 december tot 20 maart, op het zuidelijk halfrond van 21 juni tot 20 september.
Antoniemen
Vertalingen
1. seizoen
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.