fout
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- fout
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | fout | (fouter) | (foutst) |
| verbogen | foute | (foutere) | (foutste) |
Bijvoeglijk naamwoord
fout
- onjuist, incorrect, niet goed;.
- Het antwoord is fout.
- (informeel) niet volgens de in een groep of land geldende normen of moraal;
- Hele foute muziek.
- aan de kant van de as-mogendheden in de Tweede Wereldoorlog.
- Zijn vader was fout.
Bijwoord
fout
Zelfstandig naamwoord
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | fout | fouten |
| verkleinwoord | foutje | foutjes |
fout v
- vergissing, onjuistheid.
Vertalingen
1.