lessen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • les·sen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
lessen
leste
gelest
zwak -t volledig

Werkwoord

lessen

  1. (overgankelijk) met vocht de dorst beëindigen
    De regen leste eindelijk de dorst van het wanhopige wild.
  2. (inergatief) les nemen
    In welke auto heb jij gelest?

Zelfstandig naamwoord

lessen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord les