els
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- els
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | els | elzen |
| verkleinwoord | elsje | elsjes |
Zelfstandig naamwoord
els
- m (plantkunde) Alnus, een geslacht bomen uit de berkenfamilie (Betulaceae)
- v/m (gereedschap) een priemvorming werktuig bedoel om gaten mee te prikken
Synoniemen
- [2]priem, zeilpriem, marlpriem, marlpen, marlspijker
Vertalingen
1. boom
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Afrikaans
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | els | else |
Zelfstandig naamwoord
els
- (gereedschap), (plantkunde) els
Catalaans
Lidwoord
Persoonlijk voornaamwoord
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Plantkunde in het Nederlands
- Gereedschap in het Nederlands
- Woorden in het Afrikaans
- Zelfstandig naamwoord in het Afrikaans
- Gereedschap in het Afrikaans
- Plantkunde in het Afrikaans
- Woorden in het Catalaans
- Lidwoord in het Catalaans
- Persoonlijk voornaamwoord in het Catalaans