els

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • els
Woordherkomst en -opbouw
  1. (erfwoord): Middelnederlands else, Oergermaans *alísō, verder Indo-Europees *h₁el-is-, vergelijk Latijn alnus, Sloveens jélša, Litouws al̃ksinis, elksnis.
  2. (erfwoord): Middelnederlands elsene, else, Oergermaans *alisnō, evenals Nederduits Els, Zwitser-Duits Alesne, Gotisch alisna, uitbreiding van *alaz, waaruit Engels awl, Duits Ahle, verder Indo-Europees *h₁óleh₂ ‘els, priem’, vergelijk Hotanees aiysna, Sanskrit árā.
enkelvoud meervoud
naamwoord els elzen
verkleinwoord elsje elsjes

Zelfstandig naamwoord

els

  1. m (plantkunde) Alnus, een geslacht bomen uit de berkenfamilie (Betulaceae)
  2. v/m (gereedschap) een priemvorming werktuig bedoel om gaten mee te prikken
Synoniemen
  1. elzeboom, elzenstruik
  2. priem, zeilpriem, marlpriem, marlpen, marlspijker
Vertalingen

Meer informatie


Afrikaans

enkelvoud meervoud
naamwoord els else

Zelfstandig naamwoord

els

  1. (gereedschap), (plantkunde) els


Catalaans

Lidwoord

els m mv

  1. de

Persoonlijk voornaamwoord

els m mv

  1. hen, ze (lijdend en meewerkend voorwerp, vóór het werkwoord)
  2. u (lijdend en meewerkend voorwerp, vóór het werkwoord)

els v mv

  1. hen, ze (meewerkend voorwerp, vóór het werkwoord)
  2. u (meewerkend voorwerp, vóór het werkwoord)