els

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • els
Woordherkomst en -opbouw
  1. (erfwoord): Middelnederlands else, uit Oergermaans *alísō, bij Indo-Europees *h₁el(i)s-, vergelijk Latijn alnus, Sloveens jélša en Litouws álksna, al̃ksinis; daarnaast met grammatische wisseling Nederduits Eller en Duits Erle.
  2. (erfwoord): Middelnederlands alsene, elsene, else, uit Oergermaans *alasn(j)ō, evenals Nederduits Els, Zwitser-Duits Alesne en Gotisch alisna, uitbreiding van *alaz, waaruit Oudnoords alr, bij Indo-Europees *h₁h̥₁l-h₂-ós ‘els, priem’, genitief van *h₁éh₁l-eh₂, vergelijk Duits Ahle, Sanskriet árā en Hotanees aiysna.[1]
enkelvoud meervoud
naamwoord els elzen
verkleinwoord elsje elsjes

Zelfstandig naamwoord

els

  1. m (plantkunde) Alnus, een geslacht bomen uit de berkenfamilie (Betulaceae)
  2. v/m (gereedschap) een priemvorming werktuig bedoel om gaten mee te prikken
Synoniemen
  1. elzeboom, elzenstruik
  2. aal, priem, zeilpriem, marlpriem, marlpen, marlspijker
Vertalingen
Verwijzingen
  1. Guus Kroonen (2013), Etymological Dictionary of Proto-Germanic, uitg. Brill, Leiden, blz. 19, 20 en 117.

Meer informatie


Afrikaans

enkelvoud meervoud
naamwoord els else

Zelfstandig naamwoord

els

  1. (gereedschap), (plantkunde) els


Catalaans

Lidwoord

els m mv

  1. de

Persoonlijk voornaamwoord

els m mv

  1. hen, ze (lijdend en meewerkend voorwerp, vóór het werkwoord)
  2. u (lijdend en meewerkend voorwerp, vóór het werkwoord)

els v mv

  1. hen, ze (meewerkend voorwerp, vóór het werkwoord)
  2. u (meewerkend voorwerp, vóór het werkwoord)