tweezijdig

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • twee·zij·dig
Woordherkomst en -opbouw
  • Samenstellende afleiding van twee en zijde met het achtervoegsel -ig
stellend
onverbogen tweezijdig
verbogen tweezijdige
partitief tweezijdigs

Bijvoeglijk naamwoord

tweezijdig

  1. met, of aan twee kanten, belangen, partijen etc;
    Het papier is tweezijdig bedrukt.
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.