afzijdig
Uiterlijk
- af·zij·dig
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | afzijdig | afzijdiger | afzijdigst |
| verbogen | afzijdige | afzijdigere | afzijdigste |
| partitief | afzijdigs | afzijdigers | - |
afzijdig
- zich ~ houden: zich er niet mee bemoeien, ervoor kiezen niet mee te doen
- De kerken hebben zich tot nu toe in het conflict grotendeels afzijdig gehouden.
- ▸ Zijn wandelingen hebben hem geïntroduceerd in de kringen van de talrijke daklozen, half-daklozen en semi-daklozen maar hij houdt zich desondanks afzijdig uit een hardnekkige besmettingsangst.[1]
- neutraal, niet betrokken
- Het land kan zich geen afwachtende en afzijdige houding veroorloven.
- Hij koos voor een afzijdige koers in zijn buitenlands beleid.
- Het woord afzijdig staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "afzijdig" herkend door:
| 99 % | van de Nederlanders; |
| 99 % | van de Vlamingen.[2] |
- ↑ Safae el Khannoussi“Oroppa” (2024), Uitgeverij Pluim
, ISBN 9789493339125 - ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 8
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Achtervoegsel -ig in het Nederlands
- Bijvoeglijk naamwoord in het Nederlands
- WikiWoordenboek:Pagina's die ISBN magische koppelingen gebruiken
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 99 %
- Prevalentie Vlaanderen 99 %