bovenzijde

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bo·ven·zij·de
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bovenzijde bovenzijdes
bovenzijden
verkleinwoord bovenzijdetje bovenzijdetjes

Zelfstandig naamwoord

bovenzijde v/m

  1. bovenkant, De kant die naar boven wijst.
    • Een doos heeft een boven-, een onder-, een voor- en achterzijde, en twee zijkanten. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be