beiderzijds

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bei·der·zijds
Woordherkomst en -opbouw
  • Samenstellende afleiding van beide en zijde met het achtervoegsel -s met het invoegsel -er-
stellend
onverbogen beiderzijds
verbogen beiderzijdse
partitief beiderzijds

Bijvoeglijk naamwoord

beiderzijds

  1. van alle twee de kanten komend
Verwante begrippen

Gangbaarheid

80 % van de Nederlanders;
63 % van de Vlamingen.