parkzijde

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • park·zij·de
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord parkzijde parkzijdes
parkzijden
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

parkzijde v / m

  1. kant van een bouwwerk tegenover een aangelegd groengebied
    • De gevel aan parkzijde met uitzicht over een glooiend grasveld en de vijver is driezijdig uitgebouwd en heeft een veranda van één bouwlaag hoog. [1]

Gangbaarheid

Niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie.

97 % van de Nederlanders
81 % van de Vlamingen.

Verwijzingen