zat

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: zat.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zat
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen zat zatter zatst
verbogen zatte zattere zatste
partitief zats zatters -

Bijvoeglijk naamwoord

zat

  1. (informeel) verzadigd, vol, met name van alcoholische drank
    • Hij was volkomen zat en begon handtastelijk te worden. 
  2. (informeel) als predicaat met oorzakelijk voorwerp: ergens genoeg van hebbend
    • Ik ben het zat! 
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Onbepaald voornaamwoord

zat

  1. (informeel) in voldoende mate
    • Er zijn mensen zat die daar niet van houden. 
    • Er zijn zat mensen die daar niet van houden. 
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

zat m

  1. (afkorting), (tijdrekening), (dag) zaterdag, de eerste dag van het weekeinde
    «Open: di, woe, do, vrij; dicht: zat, zo, ma.»
    Geopend op dinsdag, woensdag, donderdag en vrijdag; gesloten op zaterdag, zondag en maandag.
Opmerkingen
  • Echte afkortingen worden als regel met een punt geschreven: zat., maar in opsommingen waar uit de context al duidelijk is dat het om de naam van een weekdag gaat is het gebruikelijk om de punt weg te laten[3].
Schrijfwijzen

Werkwoord

vervoeging van
zitten

zat

  1. enkelvoud verleden tijd van zitten
    • Ik zat. 
    • Jij zat. 
    • Hij, zij, het zat. 

Verwijzingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie


Indonesisch

Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Arabisch.

Zelfstandig naamwoord

zat

  1. stof, substantie


Turks

Zelfstandig naamwoord

zat

  1. persoon, individu.
  2. substantie
  3. wezen