zat

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: zat.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zat
Woordherkomst en -opbouw
1 stellend vergrotend overtreffend
onverbogen zat zatter zatst
verbogen zatte zattere zatste
2 stellend
onverbogen zat
verbogen (alleen
predicaat)

Bijvoeglijk naamwoord

zat

  1. (informeel) verzadigd, vol, met name van alcoholische drank
    Hij was volkomen zat en begon handtastelijk te worden.
  2. (informeel) als predicaat met oorzakelijk voorwerp: ergens genoeg van hebbend
    Ik ben het zat!
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Onbepaald voornaamwoord

zat

  1. (informeel) in voldoende mate
    Er zijn mensen zat die daar niet van houden.
    Er zijn zat mensen die daar niet van houden.
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

zat m

  1. (afkorting), (tijdrekening), (dag) zaterdag, de eerste dag van het weekeinde
    «Open: di, woe, do, vrij; dicht: zat, zo, ma.»
    Geopend op dinsdag, woensdag, donderdag en vrijdag; gesloten op zaterdag, zondag en maandag.
Opmerkingen
  • Echte afkortingen worden als regel met een punt geschreven: zat., maar in opsommingen waar uit de context al duidelijk is dat het om de naam van een weekdag gaat is het gebruikelijk om de punt weg te laten[3].
Schrijfwijzen

Werkwoord

vervoeging van
zitten

zat

  1. enkelvoud verleden tijd van zitten
    Ik zat.
    Jij zat.
    Hij, zij, het zat.
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandse taal
  3. Afkortingen van de dagen van de week op website: taaladvies.net; geraadpleegd 2016-10-26

Meer informatie


Indonesisch

Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Arabisch.

Zelfstandig naamwoord

zat

  1. stof, substantie


Turks

Zelfstandig naamwoord

zat

  1. persoon, individu.
  2. substantie
  3. wezen