zat

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zat
1 stellend vergrotend overtreffend
onverbogen zat zatter zatst
verbogen zatte zattere zatste

Bijvoeglijk naamwoord

2 stellend
onverbogen zat
verbogen (alleen
predicaat)

zat

  1. (informeel) verzadigd, vol, met name van alcoholische drank
    Hij was volkomen zat en begon handtastelijk te worden.
  2. (informeel) als predicaat met oorzakelijk voorwerp: ergens genoeg van hebbend
    Ik ben het zat!
Synoniemen
Vertalingen

Onbepaald voornaamwoord

zat

  1. (informeel) in voldoende mate
    Er zijn mensen zat die daar niet van houden.
    Er zijn zat mensen die daar niet van houden.
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
zitten

zat

  1. enkelvoud verleden tijd van zitten
    Ik zat.
    Jij zat.
    Hij, zij, het zat.


Indonesisch

Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Arabisch.

Zelfstandig naamwoord

zat

  1. stof, substantie


Turks

Zelfstandig naamwoord

zat

  1. persoon, individu.
  2. substantie
  3. wezen