Naar inhoud springen

individu

Uit WikiWoordenboek
  • in·di·vi·du
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘enkeling’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1824 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord individu individu's
individuen
verkleinwoord individuutje individuutjes

hetindividuo

  1. een enkele persoon in het bijzonder
    • Deze wetgeving is eerder op het individu gericht dan op de massa. 
     Je hebt niet een massa mensen lief, je houdt wel van je buurman die een enkel individu is.[2]
     De oneliner transformeert tot een virus dat de geest aantast, waarna het besmette individu ophoudt om zelfstandig te denken en opgaat in de groep.[3]
  2. met negatieve bijbetekenis persoon
    • Er liepen een paar twijfelachtige individuen rond. 
99 %van de Nederlanders;
98 %van de Vlamingen.[4]