individu

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·di·vi·du
enkelvoud meervoud
naamwoord individu individuen
verkleinwoord individuutje individuutjes

Zelfstandig naamwoord

individu o

  1. een enkele persoon in het bijzonder
    • Deze wetgeving is eerder op het individu gericht dan op de massa. 
  2. met negatieve bijbetekenis persoon
    • Er liepen een paar twijfelachtige individuen rond. 
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie