zatladder

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zat·lad·der
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zatladder zatladders
verkleinwoord zatladdertje zatladdertjes

Zelfstandig naamwoord

zatladder m

  1. iemand die regelmatig te veel alcohol dringt
    • De zatladder maakte de hele nacht herrie. 
Synoniemen

Gangbaarheid

57 % van de Nederlanders;
33 % van de Vlamingen.