stadswijk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • stads·wijk
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord stadswijk stadswijken
verkleinwoord stadswijkje stadswijkjes

Zelfstandig naamwoord

stadswijk v / m [1]

  1. wijk van een stad
     Zelfs met een flinke som geld en extra aandacht lukt het niet om een oude, arme volkswijk in een paar jaar te veranderen in een moderne stadswijk waar het goed toeven is. Dat blijkt in Oud-Crooswijk in Rotterdam, vijf jaar geleden volgens het Sociaal- en Cultureel Planbureau (SCP) de armste wijk van Nederland.[2]
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Bronlink geraadpleegd op 23 juni 2022 Weblink bron “Oud-Crooswijk was armste wijk, miljoenen verder gaat het iets beter” (02-10-2021), NOS
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be