zakenwijk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • za·ken·wijk
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zakenwijk zakenwijken
verkleinwoord zakenwijkje zakenwijkjes

Zelfstandig naamwoord

zakenwijk v/m

  1. een deel van een stad waarin veel van het zakenleven zich concentreert
    • Het deel van de stad ten noorden van de rivier is voornamelijk een zakenwijk. 

Gangbaarheid

90 % van de Nederlanders;
93 % van de Vlamingen.