wijkverpleegkundige

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • wijk·ver·pleeg·kun·di·ge
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord wijkverpleegkundige wijkverpleegkundigen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

wijkverpleegkundige v/m

  1. (beroep) verpleegkundige die patiënten in hun eigen huis verzorgt; thuiszorg medewerker
    • Wijkverpleegkundigen krijgen meer lucht, zodat ze meer tijd over houden voor hun daadwerkelijke werk. Ze moesten tot dusverre per vijf minuten registreren wat ze uitvoerden bij cliënten. Door deze tijdrovende administratieve last wordt een streep gezet.[1] 
    • De wijkverpleegkundigen komen in actie. Ze zijn wel blij dat bepaalde bezuinigingen niet doorgaan, maar dat is ze niet genoeg. Er moet een plan komen om meer armslag te krijgen in de zorg zelf en dan om te beginnen door minder administratieve druk.[2] 
Vertalingen

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. de Telegraaf INGE LENGTON 21 nov. 2017
  2. de Telegraaf 03 nov. 2017