ai

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ai
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘tussenwerpsel: uitroep van onaangename gewaarwording’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1220 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord ai ais
verkleinwoord aitje aitjes

Zelfstandig naamwoord

ai m

  1. , (zoogdieren) Bradypus tridactylus op Wikispecies de drievingerige luiaard, een tandarm dier uit het Amazonegebied
    • We hebben in de dierentuin een paar ais gezien. 

Meer informatie

Tussenwerpsel

ai

  1. een uitroep die pijn, schrik of medelijden uitdrukt
    • Ai! Dat is een tegenvaller, zeg! 
Verwante begrippen
Tweeletterwoorden in het Nederlands

afahaiatbobyebenerkoom

Gangbaarheid

67 % van de Nederlanders;
81 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen


Aroemeens

Werkwoord

ai

  1. hebben


Frans

Uitspraak

Werkwoord

ai

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van avoir


Engels

enkelvoud meervoud
ai ais

Zelfstandig naamwoord

ai

  1. , (zoogdieren) Bradypus tridactylus op Wikispecies ai
Verwante begrippen
Tweeletterwoorden in het Engels

aaabadaeagahaialamanarasatawaxaybabebibobydadedidoedefehelemeneresetexfafigigohahehihmhoidifinisitjokakilalilomamemimmmomumynanenonuodoeofohoiomonoporosowoxoypapepiqireshsisotatitouhumunupusutwewoxixuyayeyoza


Lets

Tussenwerpsel

ai

  1. ai, o
  2. ai, ieh, uitroep bij een onaangename verassing


Surinaams

Werkwoord

ai

  1. (anatomie) oog