Naar inhoud springen

werpen

Uit WikiWoordenboek
  • wer·pen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
werpen
wierp
geworpen
klasse 3 volledig

werpen [3] [4] [5] [6]

  1. overgankelijk met een krachtige zwaai van de arm iets uit de hand naar iets of iemand heen laten gaan
    • Hij wierp de bal naar de andere kant van het veld. 
     Gespannen zette ik mijn tent op: om mezelf af te leiden en dieren af te schrikken begon ik hard te fluiten en ik wierp af en toe een blik op de brede vallei onder me.[7]
  2. overgankelijk, (dierkunde) (van zoogdieren) ter wereld brengen, baren
    • In de melkveehouderij laat de boer zijn melkkoeien regelmatig jongen werpen, zodat de moederkoeien melk blijven geven. 
     ' Als er iets gebeuren zou, hij zou gemakkelijk de kast omver kunnen werpen en weglopen voor zij hem iets konden doen.[8]
100 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[9]